In juni 2011 werd bekend gemaakt dat de sociale partners en het kabinet afspraken hadden gemaakt om de AOW en pensioenen veilig te stellen en betaalbaar te houden. Deze afspraken zijn vastgelegd in het pensioenakkoord.
De werkgevers waren al snel akkoord, maar de vakbeweging legde aanvullende wensen neer. Pas nadat de minister die wijzigingen had aangebracht, ging ook de vakbeweging akkoord. Uiteindelijk stemde een meerderheid in de Tweede Kamer in met het pensioenakkoord.
Waarom is er een pensioenakkoord nodig?
Het aantal mensen dat pensioen ontvangt neemt steeds verder toe. Het aantal mensen met een betaalde baan neemt juist af. Bovendien beginnen mensen later met werken dan vroeger. Doordat iedereen steeds langer leeft moeten mensen ook langer AOW en pensioen krijgen. Al die factoren zorgen ervoor dat het pensioen steeds moeilijker te betalen is. Daarom is het nodig dat mensen langer blijven werken en later met pensioen gaan.
Waarover gaat het pensioenakkoord?
Het pensioenakkoord gaat over het AOW-pensioen, het aanvullend pensioen (via werkgevers) en over langer doorwerken.
1. AOW-pensioen
- De AOW-leeftijd wordt verschoven van 65 naar 66 jaar in 2020. Waarschijnlijk schuift dit in 2025 door naar 67 jaar.
- Vanaf 2013 wordt de AOW voor iedereen 0,6% hoger.
- Mensen mogen zelf kiezen wanneer ze willen stoppen met werken. Maar elk jaar dat u minder werkt (dan tot uw 66ste), kost u 6,5% AOW-pensioen. Wie dus op 65-jarige leeftijd stopt met werken, ontvangt 6,5% (dit is gelijk aan één jaar) minder AOW-pensioen. Wie na het 66ste (vanaf 2025 na het 67ste) jaar doorwerkt, krijgt 6,5% meer AOW per jaar dat hij of zij langer doorwerkt.
2. Aanvullend pensioen
- Het aanvullend pensioen moet waardevaster worden op de lange termijn. Pensioenfondsen moeten daarom zorgen voor een betere balans tussen het nemen van risico’s in beleggingen en het behouden van financiële ruimte om de pensioenen aan te passen aan de inflatie.
- De pensioenpremie wordt in economisch goede tijden niet meer automatisch verlaagd, maar wordt in slechte tijden ook niet automatisch verhoogd. Zo blijven de pensioenkosten voor zowel werknemers als werkgevers stabieler. Dit heeft wel gevolgen voor de pensioenopbouw.
- Ook de al opgebouwde pensioenrechten van gepensioneerden en werkenden moeten onderdeel van de nieuwe regeling worden. Dat wordt ‘het invaren van pensioenrechten ‘ genoemd. Hoe dit er precies gaat uitzien, is nog niet duidelijk.
3. Langer doorwerken
- Werkgevers en vakbonden gaan nieuwe afspraken maken over hoe mensen langer kunnen doorwerken. Er komen meer maatregelen om zowel jonge als oudere werknemers inzetbaar te houden, bij te scholen en te helpen re-integreren.
- Er komt een mobiliteitsbonus. Dit is een toelage voor werkgevers, waardoor het aantrekkelijker wordt om oudere werknemers aan te nemen.
- Het kabinet en de sociale partners gaan eraan werken om leeftijdsdiscriminatie van oudere werknemers te stoppen.
- Ook komt er een vitaliteitsregeling, die de spaarloonregeling en levensloopregeling vervangt. In het belastingplan van 2012 is vastgelegd dat de levensloopregeling vanaf volgend jaar alleen nog kan worden voortgezet als er op 31 december 2011 minstens € 3000,- op de levenslooprekening staat. Voor het eerst deelnemen in 2012 of blijven deelnemen bij een saldo lager dan € 3000,- is vanaf 2012 dan niet meer mogelijk. Met hulp van de vitaliteitsregeling kunnen werknemers met deeltijdpensioen, zodat zij langer kunnen doorwerken. Maar hoe dit gaat werken is nu nog niet duidelijk.
Grote uitdaging
De beoogde ingangsdatum van alle aanpassingen op pensioengebied is 1 januari 2013. Maar gezien de onduidelijkheid die er nog bestaat over de exacte invulling van veel genoemde maatregelen, wordt dit doorgeschoven naar 1 januari 2014. Het wordt voor de sociale partners, voor de werkgevers en de vertegenwoordiging van de medewerkers (OR), het bestuur en onze uitvoeringsorganisatie in ieder geval een grote uitdaging. Over concrete wijzigingen van de BP-pensioenregeling is nog niets te zeggen.